Het gedichtje SNEEUW is meer dan een eeuw oud ! 't Is het enige gedichtje dat mijn vader uit z'n hoofd kende, en het is in mijn herinnering gekoppeld aan mijn vroege kinderjaren.

Ging het sneeuwen, en was mijn vader thuis (hij was zeeman, en dus vaak op reis), dan wist ik al wat er ging gebeuren. Ik keek van de sneeuwvlokjes verwachtingsvol naar zijn gezicht en .......ja hoor, ik zag al aan de grijns, dat het eraan kwam.

Hij klopte z'n pijp leeg in de patroonhuls - overblijfsel uit de oorlogsjaren - en dan klonk het vrolijk:

 

wat dwarrelt daar, is 't witte wol ?

ziedaar, de ganse tuin ligt vol !

tot zelfs het dak is volbelaźn,

en almaar houdt het sneeuwen aan

En in de lucht ? het lijkt wel nacht

daar zit nog menig wagenvracht.

Zie, dat wie zich op straat nog waagt

een flinke voorraad met zich draagt

zijn jas is wit, en wit zijn hoed

zo stapt hij voort met dubb'le spoed.

waarom zo'n haast, gij wandelaar ?

't is immers geen gestolen waar ?